De geschiedenis van de christelijke gemeenschappen in het Land van Israël begint met het leven en het werk van Jezus van Nazareth. Na zijn dood en herrijzenis bleef in en rond Jeruzalem de eerste Apostolische Kerk joods-christelijk tot de wederopbouw van Jeruzalem door Keizer Hadrianus (in ca. 130 na Chr.) als de Romeinse stad Aelia Capitolina. Sindsdien is de plaatselijke Kerk volledig niet-joods van samenstelling. Ook was het tot het begin van de Oecumenische Concilies één en onverdeeld. Tegen de tijd van de islamitische verovering was de Kerk in het Oosten al onderverdeeld in diverse kerken, hoewel ze klaarblijkelijk het gedeelde gebruik van de heilige plaatsen voortzetten. Het was pas in de Kruisvaardertijd en het primaat (praedominium) van de (Latijnse) Kerk van het Westen, dat er onenigheid ontstond over de Heilige Plaatsen. Dit hield onverminderd aan tijdens de Mamelukse en Ottomaanse periodes, tot het decreet van de Status Quo in 1852.
Volgens de meest recente statistieken zijn er van de meer dan 6,4 miljoen mensen die er vandaag de dag in Israël leven ongeveer 1,4 miljoen niet-joods. Hiervan zijn er ongeveer 123.000 christenen. Deze gegevens hebben geen betrekking op de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook, waar sinds 1967 geen volkstelling is uitgevoerd. Op dat moment werd de christelijke bevolking van deze gebieden ruwweg geschat op 33.000. Daarbij dient te worden opgemerkt, dat de christelijke bevolking in Judea, Samarea en Gaza in de afgelopen jaren is gedaald.
De gemeenschappen kunnen worden onderverdeeld in vier hoofdcategorieën - orthodox, niet-chalcedonisch of oriëntaals-orthodox, katholiek (Latijns en geünieerd) en protestants - bestaande uit zo'n 20 oude en inheemse kerken, en nog eens 30 voornamelijk protestantse confessionele groepen. Behalve de nationale kerken, zoals de Armeense, spreken de inheemse gemeenschappen overwegend Arabisch, en de meeste stammen zeer waarschijnlijk af van de vroegchristelijke gemeenschappen uit de Byzantijnse periode.
De Orthodoxe Kerken
De Orthodoxe Kerk (ook wel Oosters- of Grieks-orthodoxe Kerk) bestaat uit een familie van Kerken, die alle het ereprimaat erkennen van de Patriarch van Constantinopel. Historisch gezien ontstond deze Kerk uit de kerken van het Oost-Romeinse of Byzantijnse Rijk.
Het Grieks-orthodoxe Patriarchaat beschouwt zichzelf als de Moederkerk van Jeruzalem, aan wiens bisschop patriarchale waardigheid is verleend door het Concilie van Chalcedon in 451. Sinds 1054 bestaat er het Schisma met Rome. In 1964 vond er echter in Jeruzalem een historische ontmoeting plaats tussen Paus Paulus VI en Athenagoras, de Oecumenische Patriarch van Constantinopel.
Na 1099 en de kruisvaarderverovering werd het zich al in ballingschap bevindende (orthodoxe) patriarchaat van Jeruzalem overgebracht naar Constantinopel. Een permanent verblijf in Jeruzalem werd pas in 1845 hersteld.
Sinds 1662 worden de orthodoxe belangen in het Heilige Land behartigd door de Broederschap van het Heilig Graf, die de status van de Orthodoxe Kerk in de heilige plaatsen tracht te beschermen en het Hellenistische karakter van het Patriarchaat te bewaren.
In de parochies wordt overwegend Arabisch gesproken en deze worden geleid door Arabische gehuwde priesters, evenals door leden van de Broederschap van het Heilig Graf. De gemeenschap telt ongeveer 50.000 leden, voornamelijk in Jeruzalem en Galilea, met een vergelijkbaar aantal in Judea, Samaria, Gaza en de buurlanden die deel uitmaken van het patriarchaat.
Twee andere historische, nationale orthodoxe kerken zijn ook vertegenwoordigd in het land: de Russische en de Roemeense. Deze zijn verbonden met de Grieks-orthodoxe Kerk en staan onder de plaatselijke jurisdictie van het Grieks-orthodoxe patriarchaat.
De Russisch-orthodoxe Missie werd in 1858 opgericht in Jeruzalem, maar de Russische christenen waren al in de 11e eeuw begonnen het Heilige Land te bezoeken, slechts een paar jaar na de Bekering van Kiev. Dergelijke bezoeken duurden 900 jaar lang voort, uiteindelijk uitgroeiend tot de grote jaarlijkse bedevaarten aan het eind van de 19e eeuw die voortduurden tot de Eerste Wereldoorlog en eindigden met de Russische Revolutie.
Sinds 1949 zijn de eigendommen van de Russische kerk in wat toen al de Staat Israël was, in het bezit van de Russisch-orthodoxe Missie (Patriarchaat van Moskou); de eigendommen in de gebieden die toen onder Jordaans beheer stonden, bleven in het bezit van de Russische Kerkelijke Missie in vertegenwoordiging van de Russisch-orthodoxe Kerk in Ballingschap. De twee missies worden elk geleid door een archimandriet, die wordt bijgestaan door verscheidene monniken en nonnen.
In 1935 werd er een missie als vertegenwoordiging van de Roemeens-orthodoxe Kerk opgericht. Het wordt geleid door een archimandriet en bestaat uit een kleine gemeenschap van monniken en nonnen in Jeruzalem.
Voor vele jaren in de voorbije eeuwen onderhield de Georgisch-orthodoxe Kerk een aanwezigheid in het Heilige Land. Na de onafhankelijkheid van Georgië kwamen er verscheidene Georgisch-orthodoxe monniken naar Jeruzalem om er te leven onder auspiciën van de Grieks-orthodoxe Kerk.
De Niet-Chalcedonische Kerken
De niet-chalcedonische kerken zijn Kerken van het Oosten - Armeens, Koptisch, Ethiopisch en Syrisch - die de leer verwerpen van het Concilie van Chalcedon (451) over de tweevoudige (goddelijke en menselijke) natuur van Christus. De niet-chalcedonische kerken volgen de monofysitische leer dat Christus slechts een enkele, goddelijke natuur heeft.
De Armeens-orthodoxe Kerk dateert uit het jaar 301 en de bekering van Armenië, het eerste land dat het christendom aanvaardde. Al sinds de 5e eeuw bevindt er zich een Armeense religieuze gemeenschap in Jeruzalem. Volgens Armeense bronnen ontstond het eerste Patriarchaat in het jaar 638, gebaseerd op een oorkonde door de Kalief Omar aan de Patriarch Abraham. Het Armeense Patriarchaat van Jeruzalem werd opgericht in 1311.
Gedurende de 19e eeuw en tijdens en onmiddellijk na de Eerste Wereldoorlog groeide de plaatselijke Armeense gemeenschap. Vóór 1939 bestond het uit meer dan 15.000 leden en was het de op twee na grootste christelijke groepering. Tegenwoordig telt de gemeenschap minder dan 2500 tot 3000 leden, waarvan de meesten in de Armeense wijk van Jeruzalem wonen, en de rest in Haifa, Jaffa, Ramallah, Bethlehem (en Amman, Jordanië).
De Koptisch-orthodoxe Kerk heeft haar wortels in Egypte, waar het merendeel van de bevolking tijdens de eerste eeuwen van onze jaartelling christen werd. Ze beweren in Jeruzalem te zijn aangekomen samen met St. Helena, de moeder van Keizer Constantijn. Deze kerk had al vroeg een invloed op de ontwikkeling van het monnikendom in de woestijn van Judea. De gemeenschap bloeide op tijdens de Mamelukse periode (1250-1517), en nogmaals met Mohammed Ali in 1830. Sinds de 13e eeuw wordt de (Koptische) Patriarch van Alexandrië in Jeruzalem vertegenwoordigd door een aartsbisschop. De gemeenschap telt ongeveer 1500 leden - voornamelijk in Jeruzalem en Ramallah.
De Ethiopisch-Orthodoxe Kerk heeft al minstens sinds de middeleeuwen een gemeenschap in Jeruzalem. Vroege kerkhistorici vermelden al in de 4e eeuw Ethiopiërs in het Heilige Land. Zeker is dat in de erop volgende eeuwen de Ethiopische Kerk belangrijke rechten in de heilige plaatsen genoot, maar de meeste ervan weer verloor tijdens de Turkse periode, voorafgaand aan het uitroepen van de Status Quo.
Tegenwoordig wordt de Ethiopische Kerk in Israël vertegenwoordigd door een kleine gemeenschap onder leiding van een aartsbisschop, en bestaat voornamelijk uit enkele tientallen monniken en nonnen woonachtig in de Oude Stad en rond de Ethiopische Kerk in West-Jeruzalem. Met de immigratie van Ethiopiërs naar Israël is de lekengemeenschap in de afgelopen 20 jaar gestaag gegroeid. Sinds het herstel van de diplomatieke betrekkingen tussen Israël en Ethiopië is ook de bedevaart toegenomen.
De Syrisch-orthodoxe kerk is voortgekomen uit de oude Kerk van Antiochië en is één van de oudste christelijke gemeenschappen in het Midden-Oosten. Het is nog steeds traditie de klassieke Syrische taal (West-Aramees) te gebruiken in de liturgie en de gebeden. Ze staan ook wel bekend als Jacobieten (naar Jacobus Baradaeus, die de Kerk in de 6e eeuw versterkte). Hun patriarch is gezeteld in Damascus. Al sinds 793 zijn er Syrisch-orthodoxe bisschoppen in Jeruzalem geweest, en permanent sinds 1471. Tegenwoordig staat de plaatselijke Kerk onder leiding van een bisschop die in Jeruzalem is gezeteld in het 7e-eeuwse klooster van St. Marcus. De gemeenschap bestaat slechts uit enkele families, de meeste in Nazareth, Haifa, Jericho, Ramallah, Beit Sahour en Beit Jala.
De Apostolische Kerk van het Oosten (soms ten onrechte Nestorianen genoemd), afkomstig uit het grensgebied tussen Turkije, Iran en Irak, volgt de liturgie en gebeden in de klassieke Syrische taal (Oost-Aramees). Sinds 1917 zetelt de patriarch in Chicago en in Kerala (India). Al sinds de 5e eeuw heeft de kerk een aanwezigheid in Jeruzalem. Vandaag de dag wordt het vertegenwoordigd door een aartsbisschop.
